Nieuws

Alles over de laatste belevenissen van onze honden leest u hier.
Lees meer >> 

Pups

Bekijk snel onze puppiepagina waar u foto's van onze pups kunt bekijken.
Lees meer >> 

Wie zijn wij

Kom meer te weten over ons gezin en onze honden.
Lees meer >> 

HEUPDYSPLASIE:

Inleiding:
Heupdysplasie is één van de meest voorkomende onderwerpen als men spreekt over erfelijke aandoeningen. Er zijn veel meningen maar ook veel misvattingen over HD, hetgeen de behandeling van het onderwerp er niet gemakkelijker op maakt. Deze misvattingen zijn hoogstwaarschijnlijk te wijten aan het feit dat heupdysplasie een erfelijke aandoening is, maar dat naast de erfelijke aanleg die een hond kan hebben voor HD er ook een grote omgevingsinvloed is op het zich ontwikkelen van de afwijking en op de mate waarin het dier eraan lijdt.



Normale heupen Dysplasie bij de jonge hond Dysplasie op middelbare leeftijd Ernstige arthrose





Een pup wordt met normale (nog niet ontwikkelde) heupen geboren en de aandoening ontwikkelt  zich tijdens de groei. 
Het heupgewricht is een kogelgewricht; de heup bestaat uit de kop (Caput femoris) van het dijbeen die kan draaien in de heupkom (acetabulum), de gewrichtsbanden, het gewrichtskapsel en de omliggende spieren. Het heupgewricht vormt de verbinding tussen de achterbenen en het bekken. Bij normale gezonde heupen zit de kop stevig vast in de voldoende diepe heupkom. Beide delen zijn bekleed met wit en glad kraakbeen. 
Om het kraakbeen van beide delen goed om elkaar heen te laten glijden  zijn de oppervlakken bedekt met een kleine hoeveelheid gewrichtsvocht. Deze vloeistof dient als smeermiddel en als voedingsbron voor het gewricht. De kop en de kom worden stevig op hun plaats gehouden door het gewrichtskapsel, de gewrichtsbanden en door de spieren van de achterhand. Bij een hond met aanleg voor HD is er sprake van te veel speling in het gewricht, waarbij het gewrichtskapsel en de omliggende banden onvoldoende stevigheid en steun geven. Door deze speling krijgt de opgroeiende hond geleidelijk aan een afwijkende groei en vorming van het heupgewricht. Een afgevlakte kop en een ondiepe kom zijn daarvan het gevolg. Dit veroorzaakt opnieuw meer speling aangezien de kop en de kom steeds slechter in elkaar gaan passen en heeft een overmatige slijtage (arthrose) van het gewricht tot gevolg.

De klachten:
Niet alle honden met HD zullen klachten ontwikkelen of verschijnselen vertonen. Of en hoeveel klachten er zullen ontstaan is van verschillende factoren afhankelijk. Allereerst is daar de ernst van de gewrichtsverandering (vervorming); ook de leeftijd van de hond kan meespelen of de mate van beweging en bespiering. Ook de individuele pijngevoeligheid is bij iedere hond anders. Er bestaan verschillende gradaties in de pijn en evenzoveel gradaties in de last die de hond daarvan ondervindt. Bij ernstige afwijkingen kunnen zeer jonge honden tussen de vier en zeven maanden al te maken krijgen met pijnlijke misvormingen, mede bepaald door omgevingsinvloeden. De pijn wordt veroorzaakt door minuscule breukjes in het heupgewricht en scheurtjes in het gewrichtskapsel. Door de ontstekingen die optreden wordt het kapsel geleidelijk aan dikker en de speling wordt daardoor minder. Vanwege de pijn zullen de meeste honden meer rust nemen zodat de schade aan de heupen zich tijdelijk kan herstellen. Misvorming en overmatige slijtage (arthrose) kunnen echter nooit meer ongedaan gemaakt worden en het verdwijnen van de klachten is over het algemeen van tijdelijke aard. De meeste honden die op jonge leeftijd klachten (gehad) hebben krijgen na verloop van tijd weer klachten. 
       

Omgevingsinvloeden:
Dat heupdysplasie een erfelijke aandoening is, weet inmiddels iedereen. Daar bestaat geen twijfel over. 
Hoe deze aandoening nu precies vererft is een ingewikkelder zaak; daarover zijn de meningen nog steeds verdeeld, hoewel men aanneemt dat het een polygenetische vererving betreft (een vererving waarbij vele genen betrokken zijn). Ook is men er steeds meer van overtuigd dat de mate van erfelijkheid minder is dan in eerste instantie is gedacht en de omgevingsinvloeden veel zwaarder wegen dan aanvankelijk wordt aangenomen. 

Onder omgevingsinvloeden verstaan we:

  • Voeding: verkeerde voeding, dat wil zeggen het percentage calcium/energie per gram voer, te dikke honden.
  • Beweging: gladde vloeren, ruw spel of te veel spelen met andere honden, het gooien met ballen of stokken waardoor de jonge hond 
gaat afremmen en vreemde draaien en sprongen maakt.

Een pup moet dus een erfelijke aanleg hebben om HD te kunnen ontwikkelen, maar de omgevingsinvloeden zijn van groot belang voor de mate waarin de jonge hond HD zal ontwikkelen. Onder correcte beweging verstaan we zoveel mogelijk rechtlijnige bewegingen. 

Geen overdadig ruw spel met volwassen honden en/of leeftijdsgenootjes. Balletjes en stokken gooien waar de jonge hond achteraan rent, afremt en rare draaien gaat maken zijn funest voor de ontwikkeling van de heupgewrichten. Met rustig wandelen en de duur van de wandeling geleidelijk aan opvoeren (ongeveer 5 minuten per maand leeftijd) behaalt men de beste resultaten. Moe is goed, oververmoeid beslist niet. Uit onderzoek is gebleken dat het optreden en de ernst van HD kan worden verminderd door de groeisnelheid van de pup te beperken. Dit kan door er voor te zorgen dat de voedselopname voor een gezonde groei wordt beperkt tot het noodzakelijke. Hoogwaardig, commercieel hondenvoer, zonder eigen toevoegingen van kalk of vitaminen, is daarvoor het meest geschikt. Het lijkt erop dat het verstrekken van teveel kalk en vitaminen een ongunstige invloed heeft op het ziekteproces ( zie % Calcium/energie per gram voer) en meer ook kans geeft op andere orthopedische problemen. Het is inmiddels bewezen dat zware en te dikke pups meer aanleg hebben voor het ontwikkelen van HD dan minder zware, die perfect op gewicht zijn; liever iets aan de schrale kant dan aan de dikke kant.

Het röntgenologisch onderzoek:
Om heupdysplasie en de ernst daarvan te kunnen vaststellen is een röntgenologisch onderzoek door een dierenarts noodzakelijk. 
De hond wordt hiervoor op de rug gelegd en de achterbenen worden parallel aan de tafel naar achteren getrokken, waarbij de 
knieschijven precies midden op het bovenbeen worden geprojecteerd.
      
Tevens kan er een indruk worden gekregen van de aansluiting cq speling van de heupgewrichten. Dit gebeurt door middel van meten en het daarna berekenen van de Norbergwaarde. Om de Norbergwaarde te kunnen berekenen, wordt van de beide heupkoppen het middelpunt bepaald. Deze middelpunten worden verbonden door een lijn. In beide heupgewrichten wordt vanuit dit middelpunt een lijn langs de voorste rand van de heupkom getrokken. De hoek die beide lijnen in het middelpunt van de heupkop met elkaar maken, minus 90º, geeft de Norbergwaarde van het desbetreffende heupgewricht. De Norbergwaarde van beide gewrichten bij elkaar opgeteld geeft de ‘som Norbergwaarden’, die op het rapport van de hond wordt vermeld.

HD uitslagen kunnen variëren van een negatieve uitslag (dus vrij van HD) tot zware HD:
 


  • HD A: vrij van HD

  • HD B: 1 botafwijking en/of een mindere aansluitinG
  • HD C: slechte aansluiting en/of botafwijking(en)
  • HD D: slechte aansluiting, botwoekering en/of vervorming van het heupgewricht
  • HD E: ernstige botwoekering en vervorming van het heupgewricht
 

De Pennhip methode:
      

HD ontstaat doordat er een speling in een gewricht zit. Deze speling wordt veroorzaakt door losheid van spieren en banden of door de gewrichtssamenstelling en dit leidt tot arthrose (het beschadigen of afbrokkelen van het botweefsel). Arthrose is één van de belangrijkste gevolgen van heupdysplasie en is met de huidige methode van röntgenen het best vast te stellen op een leeftijd van ongeveer twee jaar. 

In 1983 begint Dr. Gail Smith een onderzoek naar een methode waarmee beter en op jongere leeftijd de oorzaken voor het ontstaan van HD kunnen worden vastgesteld. In Amerika is men nu al geruime tijd bezig om aan de hand van deze nieuwe methode, de Pennhip methode, heupdysplasie vast te stellen bij honden vanaf vier maanden oud. De Nederlandse dierenarts Maarten Kappen heeft in de USA cursussen over deze methode gevolgd. Hij is de eerste gecertificeerde dierenarts in Nederland die de Pinnhip methode in de praktijk gebruikt.

Elleboogdysplasie:

Inleiding:
Het verhaal elleboogdysplasie sluit aardig aan bij de bevindingen rondom heupdysplasie, in die zin dat er ook een erfelijke factor is, hoogst waarschijnlijk polygenetisch. 
Ook hier spelen de omgevingsinvloeden een belangrijke rol. Onderzoek heeft eveneens uitgewezen dat de omgeving zoals voedsel en beweging, net als bij heupdysplasie, van groot belang is voor het ontwikkelen van ED of de ernst ervan. Een (te) snelle groei en verkeerde beweging – overbelasting - zou het risico om ED te ontwikkelen vergroten. Ook is door onderzoek duidelijk geworden dat bij ouders met ED de pups een groter risico hebben om zelf ED te ontwikkelen. ED wordt tegenwoordig gezien als één van de meest voorkomende orthopedische problemen bij grote en middelgrote rassen. In feite is het een groeistoornis die op jonge leeftijd voorkomt en chronische kreupelheid kan veroorzaken. Er zijn meerdere verschijnselen die onder de noemer ED vallen.

  • LPA:   
Los processus anconeus
  • 

LPC:   
Los processus coronoïdeus
  • OCD:  
Osteochondrosis dissecans


  • EI:      
Elleboog incongruentie

De verschillende vormen van ED zijn enigszins rasgebonden; dat wil zeggen dat een bepaalde vorm van ED meer voorkomt bij een bepaald ras. Bij LPA ontstaat er een groot, niet vastgegroeid of verkeerd vastgegroeid botstuk aan de bovenzijde van het gewricht. Dit veroorzaakt instabiliteit waardoor de interactie tussen de humerus (opperarmbeen) en de elleboog verkeerd gaat. Met name de Witte Herder en zijn gekleurde broeder de Duitse Herder zijn gevoelig voor deze vorm van ED. Bij Rottweilers en Berner Sennenhonden ziet men vaker LPC, een klein stukje bot dat los zit aan de binnenzijde van het gewricht. Bij een aantal andere rassen waaronder de Labrador Retriever en de Golden Retriever, komen we vaak een mengbeeld van LPC en het loslaten van een stukje kraakbeen aan de binnenzijde van het gewrichtsvlak van de opperarm (medial condyle) tegen; dit noemen we OCD. 
Onder incongruentie van het gewricht verstaan we het hoogteverschil tussen de ellepijp en het spaakbeen.


       
Symptomen:
Honden met ED kunnen op jonge leeftijd kreupelheid vertonen; dit hoeft echter niet. Vooral als het om LPA, of een beiderzijds probleem gaat is er vaak geen sprake van kreupelheid. Soms wordt deze vorm van ED pas zichtbaar op een leeftijd van vijf tot zeven jaar, soms nooit. Deze kreupelheid kan tijdelijk of met tussenpozen zijn. Springen en snelle wendingen kunnen de kreupelheid tevoorschijn brengen en/of verergeren. Meestal is er ook een bewegingsbeperking en een lichte zwelling in de elleboog aanwezig. Die zwelling kan worden waargenomen door de elleboog aansluiting te betasten. Om ED en de vorm daarvan vast te stellen, is röntgenologisch onderzoek nodig. Op de foto’s zijn de vormen LPA en OCD het best waarneembaar. LPC is moeilijker te detecteren, omdat het botfragmentje zo klein is dat het wegvalt in de omliggende botstructuren van het ellebooggewricht.

Behandeling:
Zoals altijd geldt dat voorkomen beter is dan genezen. Voorkom een te grote voedselopname bij de jonge hond. Vermijd toevoegingen in de vorm van supplementen, kalk, mineralen, vitaminen. Bij geconstateerde ED is het soms noodzakelijk om operatief in te grijpen om de losse botdeeltjes te verwijderen. De medische behandeling houdt in: 


  • het verminderen van te veel inspanningen en het voorkomen van  oefeningen waarbij de hond veelvuldig op de voorhand belandt. Zwemmen is een goed alternatief om de hond onbelaste beweging te geven.
  • het verminderen van overgewicht - vermageren – indien nodig. Het aan de schrale kant houden van de hond.
  • het voorkomen van te snelle groei door een aangepast dieet, vooral voedingssupplementen zijn uit den boze.
  • soms is het gebruik van pijnstillers nodig.

Honden zonder symptomen hebben geen behandeling nodig.
Ook in Nederland hebben zich intussen enkele ernstige gevallen van ED voorgedaan binnen het Witte Herderras. De vraag rijst of het verstandig zou zijn alle toekomstige fokdieren te onderzoeken op ED. Dierenartsen, bekend met de Witte Herder en deze problematiek dringen aan op een systematisch onderzoek. Het is moeilijk te bepalen, gezien de smalle fokbasis bij de Witte Herder, in hoeverre aanverwanten van de lijders uitgesloten zouden moeten worden van de fokkerij. Daarvoor zijn er ook nog teveel onduidelijkheden in de wetenschappelijke onderzoeken. Door de honden te screenen, vanwege de erfelijke achtergrond van ED, alvorens voor de fokkerij te gebruiken, kunnen we in ieder geval de lijders herkennen en uitsluiten van de fokkerij. Zo verminderen de kansen om deze aandoening te verbreiden.

Submit to FacebookSubmit to Google BookmarksSubmit to TwitterSubmit to LinkedIn